FAQ-Veelgestelde vragen
Infrastructuur (5)
Infrastructuur
Er bestaan geen wettelijke eisen voor verkeersdrempels. Wat daar het dichtst bij in de buurt komt zijn de richtlijnen van het CROW (Kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur), waarin wordt uitgegaan van twee typen verkeersdrempels: 8 cm hoog en 12 cm hoog. Bij verschillende hoogtes hoort een verschillende lengte van de op- en afrit.
Passeersnelheid | hoogte: 8 cm hoogte: 12 cm | |
| Passeersnelheid 50 km/uur | hoogte: 8 cm lengte op- en afrit: 3,00 m (sinusvorm) hoogte: 12 cm lengte op- en afrit: 4,80 m lengte plateau: 2,40 m (trapezium) |
Een afwijkende drempel hoeft niet meteen te betekenen dat de wegbeheerder schadevergoeding moet betalen. Hoe lager de snelheidslimiet, hoe meer vrijheid de wegbeheerder heeft om snelheidsremmende maatregelen toe te passen. Van weggebruikers mag worden verwacht dat zij rekening houden met allerlei soorten remmers in bijvoorbeeld een woonerf of een dertigkilometerzone.
De schade die ontstaat als iemand te hard over een drempel rijdt is niet per definitie te verhalen op de wegbeheerder. Uit de beschikbare jurisprudentie blijkt dat drempels die conform de richtlijnen zijn aangelegd vrijwel nooit leiden tot aansprakelijkheid van de wegbeheerder.
In de Uitvoeringsvoorschriften BABW staan eisen waaraan een erf moet voldoen:
| 1. | Het erf moet voornamelijk een verblijfsfunctie hebben. Dit houdt in, voor zover het gemotoriseerd verkeer betreft, dat de wegen binnen een erf slechts een functie mogen hebben voor verkeer dat zijn bestemming of zijn vertrekpunt binnen het erf heeft en de intensiteit van het verkeer het karakter van het erf niet mag aantasten. |
| 2. | De aard en de gesteldheid van de wegen en weggedeelten in het erf moeten zodanig zijn en op of aan die wegen en weggedeelten moeten snelheidsbeperkende voorzieningen zijn aangebracht waardoor stapvoets rijden redelijkerwijze uit die omstandigheden voortvloeit. |
| 3. | De indruk moet worden vermeden dat de weg is verdeeld in een rijbaan en een trottoir. Er mag daarom geen doorlopend hoogteverschil bestaan in het dwarsprofiel van een weg binnen een erf. Voor zover aan het vorenstaande wordt voldaan mag een voorziening voor voetgangers worden gerealiseerd. |
| 4. | De in- en uitgangen van een erf moeten reeds door hun constructie als zodanig duidelijk kenbaar zijn. Voor zover de in- en uitgangen bij een kruisende weg door motorvoertuigen kunnen worden gebruikt, moeten zij als in- of uitrit zijn uitgevoerd. Het is toegestaan dat de in- en uit-gang van een erf vóór een kruisende weg is gesitueerd, mits op een zodanige afstand, met een minimum van 20 meter, van de kruisende weg dat geen misverstand kan bestaan over de op het kruispunt geldende voorrangsregeling. |
| 5. | De parkeerplaatsen moeten worden aangeduid of aangegeven met een P-tegel of een P-bord. Indien het erf tevens is aangewezen als parkeerschijfzone moet op de parkeerplaatsen waar de parkeerschijf verplicht is een blauwe streep worden aangebracht. |
Het bord G5 wordt geplaatst aan de rechterkant van de weg op alle ingangen van het erf. Onder het bord G5 kan een onderbord worden aangebracht waarop het karakter van het erf wordt aangeduid. Voorbeelden hiervan zijn "woonerf" en "winkelerf".
Het bord G6 (einde erf) wordt toegepast bij elke uitgang van een erf en mag aan de linker- of rechterzijde van de weg worden geplaatst.
De overgang van een 30 km/h-zone naar een erf wordt uitsluitend weergegeven door een bord G5. Het bord G5 geeft voldoende aan dat een ander regiem van toepassing wordt. Het bord A0130ze (einde 30 km/h-zone) wordt niet toegepast bij de overgang naar een lagere maximumsnelheid of bij de toegang tot een erf.
Verkeersregels
In erven gelden bijzondere verkeersregels (RVV 1990, artikelen 44, 45 en 46), namelijk:
- voetgangers mogen de wegen over de volle breedte gebruiken;
- bestuurders mogen binnen het erf niet sneller rijden dan stapvoets (15 km/uur);
- parkeren is voor bestuurders van motorvoertuigen alleen toegestaan op die plaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven. Indien het erf is aangeduid als parkeerschijfzone, dan is ten aanzien van het parkeren van voertuigen artikel 25 van het RVV van toepassing. De wegbeheerder zal deze plaatsen voor de weggebruiker herkenbaar moeten maken door speciale aanduidingen in de vorm van een RVV-bord (bijvoorbeeld bord E4) of door een P-tegel.
Leve de straat
!
Soms lijkt het erop dat straten het exclusieve domein zijn van in- en uitparkerende auto's, snel optrekkende scooters en ronkende vrachtwagens. Vreemd eigenlijk, want straten zijn natuurlijk van ons allemaal. Ook ouderen die boodschappen willen doen, buurtbewoners die even willen bijkletsen of kinderen die onbezorgd willen spelen, hebben recht op een verkeersveilige straat. In de folder Leve de Straat! wordt dit nader uitgelegd en wordt het verschil tussen een woonerf en een 30 km-straat duidelijk gemaakt.
Netwerk Woonerfgoed
Woonerfgoed is een netwerk voor het behoud en de verbetering van de verblijfskwaliteit in woonstraten en in het bijzonder (woon)erven. Het netwerk vindt het belangrijk dat straten en erven met een woonfunctie verblijfskwaliteit hebben, houden of krijgen. Netwerk Woonerfgoed is bedoeld voor iedereen die woonerven en woonstraten een warm hart toedraagt en voor iedereen die een steentje wil bijdragen aan het behoud en de verbetering van de verblijfskwaliteit in woonerven en woonstraten.
In de Uitvoeringsvoorschriften BABW staan eisen waaraan een dertigkilometerzone moet voldoen. In grote lijnen komen die eisen neer op onderstaande beschrijving.
Een 30 km-bord (bord A0130zb) mag worden geplaatst als:
- De snelheidslimiet van 30 km/uur in overeenstemming is met het wegbeeld ter plaatse. Waar nodig moeten snelheidsremmers worden aangebracht.
- De 30 km-straat voornamelijk een verblijfsfunctie heeft.
- De 30 km-straat zodanig is ingericht dat de intensiteit van het gemotoriseerde verkeer de verblijfsfunctie niet aantast.
- Om gevaarlijke situaties te voorkomen moet vooral aandacht worden geschonken aan de veiligheid op oversteekplaatsen voor voetgangers, op kruispunten met fietsroutes en op voorrangskruispunten.
- Als de overgang naar een hogere maximumsnelheid (50 km/uur) samenvalt met een kruispunt, moet deze overgang duidelijk herkenbaar zijn. De voorrang moet daar geregeld zijn door voorrangsborden of een uitritconstructie.
Sobere inrichting
Een 30 km-zone mag ook sober worden ingericht. Dat houdt in dat alleen maatregelen worden getroffen waar dat nodig is. De in- en uitgangen worden aangegeven door zoneborden met daarbij een ondersteunende maatregel (zoals een uitritconstructie of een terugliggende drempel met voorrangsregeling).
In het verblijfsgebied zelf moeten op mogelijke conflictpunten, bij scholen, bushalten, winkelcentra en dergelijke, maatregelen getroffen worden om de attentie te vergroten. Een sobere inrichting is bedoeld als een tijdelijke oplossing.
Zebrapad
In een 30 km-zone dienen geen voorrangsmaatregelen getroffen te worden. In de zone kom je vrijwel alleen maar gelijkwaardige kruisingen tegen. Voor het zebrapad is er een uitzondering gemaakt, omdat er soms toch behoefte is aan een zebrapad, zeker bij belangrijke oversteeklocaties voor voetgangers (Uitvoeringsvoorschriften BABW, hoofdstuk IV, paragraaf 2, lid 9).
Handhaving
Het Openbaar Ministerie (OM) is altijd van mening geweest dat 30 km-zones zelfhandhavend moeten zijn. Dat wil zeggen dat de weg zo is ingericht dat te hard rijden zo goed als onmogelijk is.
Als automobilisten te hard kunnen rijden in zo'n gebied, is de 30 km-zone niet goed ingericht. Het OM is dan niet bereid daarvoor politiecapaciteit ter beschikking te stellen, ook omdat het aantal verkeersslachtoffers in dertigkilometerzones naar verhouding veel lager is dan op 50- en 80 km-wegen.
Leve de straat!
Soms lijkt het erop dat straten het exclusieve domein zijn van in- en uitparkerende auto's, snel optrekkende scooters en ronkende vrachtwagens. Vreemd eigenlijk, want straten zijn natuurlijk van ons allemaal. Ook ouderen die boodschappen willen doen, buurtbewoners die even willen bijkletsen of kinderen die onbezorgd willen spelen, hebben recht op een verkeersveilige straat. In de folder Leve de Straat! wordt dit nader uitgelegd en wordt het verschil tussen een woonerf en een 30 km-straat duidelijk gemaakt.
Netwerk Woonerfgoed
Woonerfgoed is een netwerk voor het behoud en de verbetering van de leefkwaliteit in verblijfsgebieden.
Goede trottoirs zijn bij 30 km/uur onmisbaar. Een minimale breedte van 2 meter wordt aanbevolen. Als daaraan niet kan worden voldaan, is een stapvoets erf wellicht een aantrekkelijk alternatief.
Het netwerk vindt het belangrijk dat straten en erven met een woonfunctie verblijfskwaliteit hebben, houden of krijgen. Netwerk Woonerfgoed is bedoeld voor iedereen die woonerven en woonstraten een warm hart toedraagt en voor iedereen die een steentje wil bijdragen aan het behoud en de verbetering van de verblijfskwaliteit in woonerven en woonstraten.
Voor wegbelijning bestaan landelijke richtlijnen (Essentiële Herkenbaarheidskenmerken, EHK), die in oktober 2004 zijn uitgebracht. Achterliggende gedachte is dat ieder type weg zijn eigen specifieke wegbelijning krijgt. Daardoor zullen weggebruikers direct weten op wat voor type weg men rijdt, welk gedrag van hen wordt verlangd en welke andere weggebruikers men kan verwachten. Omdat de richtlijn vrij nieuw is, zullen er de komende jaren veel wegen blijven waar de belijning nog niet voldoet aan de richtlijn. In 2015 is het de bedoeling dat de wegen voldoen aan EHK.
Let op: verkeersborden gaan voor de strepen en zijn dus bepalend voor de maximumsnelheid en inhalen.
Buiten de bebouwde kom kun je drie soorten nieuwe belijning tegenkomen:
- dubbele witte strepen met groen (autoweg, maximaal 100 km/uur, geen langzaam verkeer);
- dubbele strepen zonder groen (maximumsnelheid 80 km/uur, geen (brom)fietsers en voetgangers);
- wegen zonder middenstrepen (60 km/uur of 80 km/uur, wel (brom)fietsers en voetgangers).
Inhalen?
In artikel 76 van het RVV staat omschreven wanneer je wel en niet mag inhalen.
In het kort komt het er op neer dat je bij een doorgetrokken streep (niet langs de rand van de rijbaan) niet mag inhalen en bij een onderbroken streep wel.
Als de streep tussen de rijstrook en de spitsstrook staat, mogen bestuurders wel over de doorgetrokken streep heen.
Bekijk ook eens ons standpunt over wegmarkering.
De inrichting van wegen en openbare ruimte wordt mede bepaald door richtlijnen en aanbevelingen. Het merendeel is afkomstig van het CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. Ook al zijn het geen wetten, toch moet een wegbeheerder zijn keuze onderbouwen als van de richtlijnen en aanbevelingen wordt afgeweken.
Verkeersbesluit
Naast de richtlijnen en aanbevelingen van het CROW, is er ook het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW). Het BABW is onderdeel van de Wegenverkeerswet. In het besluit staat onder andere voor welke verkeerstekens een verkeersbesluit vereist is en waartegen burgers bezwaar kunnen aantekenen.
In de Uitvoeringsvoorschriften van het BABW staan voorschriften voor de toepassing en plaatsing van onder meer verkeersborden en verkeerstekens op het wegdek.
Vereniging (1)
Vereniging
Om onze campagnes, vrijwilligers en acties op het gebied van verkeersveiligheid ook bij u in de buurt te kunnen voortzetten, hebben we structurele steun nodig.
Veilig Verkeer Nederland heeft een bekende naam, maar het is nog bij velen onbekend dat Veilig Verkeer Nederland een vereniging is die naast subsidies voor bepaalde verkeersveiligheid, steeds meer drijft op de inzet van vrijwilligers en de (financiële) steun van leden en donateurs. Om hier meer bekendheid aan te geven organiseren we huis-aan-huiswervingsacties om donateurs te werven. Door deze persoonlijke benadering kunnen we uitgebreid vertellen wat we doen en hoe we dat doen.
Zo werkt het
De wervingsacties worden uitgevoerd door een gespecialiseerd bureau, dat is aangesloten bij de de Dutch Dialogue Marketing Association (DDMA) en uiteraard houden zij zich aan de door hen gestelde gedragsregels voor straatmarketing.
Een of meerdere wervers bellen bij u aan met de vraag of u structurele donateur wilt worden door een machtiging, zij vragen geen contant geld. De wervers moeten zich kunnen legitimeren als u daarom vraagt en hebben een badge, brief en informatiemap bij zich van Veilig Verkeer Nederland. Als u uw handtekening zet op de machtiging, bent u donateur.
Ter bevestiging van de gemaakte afspraken tijdens het gesprek bij u thuis of aan de voordeur, ontvangt u een brief van Veilig Verkeer Nederland. Hierin wordt de datum van (1e) afschrijving vermeld
In de buurt
In 2012 werft het team onder meer in de regio rond Amsterdam.
Heeft u vragen of klachten over de werving? Bel ons op 088 524 88 00 (ma t/m vr 08.30-17.00 uur) of stuur een e-mail naar info@vvn.nl.
Veilig Verkeer Nederland heeft het CBF-Keurmerk.
Verkeer en verkeersveiligheid (5)
Verkeer en verkeersveiligheid
Nee, een verkeersbrigadier is niet hetzelfde als een verkeersregelaar.
Een verkeersbrigadier helpt het schoolgaande kinderen oversteken op een onveilige oversteekplaats. De verkeersbrigadier mag alleen werken op een oversteekplaats waar hij of zij voor is opgeleid.
Een verkeersregelaar regelt het (rijdende) verkeer tijdens evenementen. Een verkeersregelaar is niet gebonden aan één specifieke plek en mag dus, in tegenstelling tot de verkeerbrigadier, op verschillende locaties het verkeer regelen.
Veilig Verkeer Nederland heeft standpunten ingenomen op tal van onderwerpen die betrekking hebben op de mens, het voertuig, en de weg en openbare ruimte.
Om tot een bepaald standpunt te komen, wordt onder andere gekeken wat de invloed is op verkeersveiligheid van met name de kwetsbaren in het verkeer en de invloed op de mobiliteit.
Er zijn zes categorieën rijbewijzen: A, AM, B, C, D en E. In het onderstaande tabel staan de variaties op deze rijbewijzen en wat je met het rijbewijs mag besturen.
Om je rijbewijs te halen wordt de rijschiktheid bepaald en moet er examen gedaan worden. Dit is in handen van het CBR.
In ons Voertuigoverzicht van A tot Z staat per voertuig óf en welk rijbewijs je nodig hebt.
| Rijbewijs | Variatie | Voertuigen |
| A, motorrijbewijs | A | Voor motorvoertuigen op twee wielen, met of zonder zijspan of aanhangwagen, met een cilinderinhoud van meer dan 50 cm³. De (door de constructie bepaalde) maximumsnelheid van deze voertuigen bedraagt meer dan 45 km per uur. |
| AM, bromfietsrijbewijs | AM | Voor brom- en snorfietsen op twee wielen en vierwielige brommobielen. |
| B, autorijbewijs | B | Voor motorvoertuigen op drie wielen, niet zijnde motorrijwielen op twee wielen met zijspan, en motorvoertuigen op vier wielen met een maximale massa van niet meer dan 3.500 kg, niet ingericht voor het vervoer van meer dan 9 personen (inclusief bestuurder). Binnen deze categorie men ook een aanhangwagen aan het motorvoertuig koppelen. Daarvoor gelden echter twee voorwaarden: 1. de aanhangwagen mag totaal (massa leeg voertuig + laadvermogen) niet zwaarder zijn dan 750 kg; 2. de aanhangwagen mag zwaarder zijn dan 750 kg. Voorwaarde is, dat de aanhangwagen inclusief laadvermogen niet zwaarder is dan de ledige massa van het trekkende voertuig. Daarbij mag de toegestane maximum massa van de totale combinatie (trekkend voertuig plus aanhangwagen) niet meer dan 3500 kg zijn. Bepalend zijn de gewichten zoals deze staan vermeld op het voor de aanhangwagen afgegeven kentekenbewijs. Ook bepalend zijn de trekgewichten (het geremde en ongeremde gewicht) die op het kentekenbewijs van het trekkende voertuig staan. |
| BE | Voor samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie B en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan 750 kg. Meer informatie | |
| C, vrachtauto | C | Voor motorvoertuigen anders dan rijbewijscategorie D, waarvan de maximum toegestane massa meer bedraagt dan 3.500 kg. En de aan dit voertuig gekoppelde aanhangwagens met een maximum toegestane massa van 750 kg. |
| CE | Voor samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie C en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan 750 kg. | |
| C1 | Voor motorvoertuigen anders dan die van categorie D, waarvan de maximaal toegestane massa meer dan 3500 kg, maar ten hoogste 7500 kg bedraagt; aan de motorvoertuigen van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg. | |
| C1E | Voor samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie C1 en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan 750 kg, mits de maximaal toegestane massa van het zo gevormde samenstel ten hoogste 12.000 kg bedraagt en de maximaal toegestane massa van de aanhangwagen de 'massa leeg voertuig' van het trekkende voertuig niet overschrijdt. | |
| D, busrijbewijs | D | Voor motorvoertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen (exclusief de bestuurder) eventueel met een aanhangwagen als de maximale massa hiervan niet meer bedraagt dan 750 kg. |
| DE | Voor samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie D en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan 750 kg. | |
| D1 | Voor motorvoertuigen bestemd voor personenvervoer, met meer dan acht maar niet meer dan zestien zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend; aan de motorvoertuigen van deze categorie kan een aanhangwagen worden gekoppeld met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg. | |
| D1E | Voor samenstellen van voertuigen bestaande uit een trekkend voertuig van categorie D1 en een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van meer dan 750 kg, mits de maximaal toegestane massa van het zo gevormde samenstel ten hoogste 12.000 kg bedraagt en de maximaal toegestane massa van de aanhangwagen de 'massa leeg voertuig' van het trekkende voertuig niet overschrijdt, en de aanhangwagen niet wordt gebruikt om personen te vervoeren. | |
| E, aanhangwagen | BE, CE, C1E, DE, D1E | Altijd in combinatie met rijbewijs B, C, C1, D of D1 |
(10 juni 2010)
De grote landelijke verkeerscampagnes zijn afkomstig van het ministerie van Infrastructuur en Milieu en zijn te herkennen aan het onderschrift Daar kun je mee thuiskomen.
Enkele voorbeelden van campagnes in het kader van Daar kun je mee thuiskomen zijn 'Rij met je hart', 'Goed licht beter zicht' en 'Gek op Goochem'.
Vragen en opmerkingen over al deze campagnes kunt u stellen aan het loket van de rijksoverheid Postbus 51.
De stopafstand is opgebouwd uit de reactietijd van de bestuurder en de remweg van het voertuig. De reactietijd van een gemiddelde bestuurder bedraagt 1 à 2 seconden. Dus tussen het 'zien' dat er geremd moet worden en het 'beginnen' met remmen zit minimaal een tijdsverschil van 1 seconde. De remweg verschilt per (soort) voertuig. De stopafstand in meters wordt bepaald door de afgelegde weg in de reactietijd op te tellen bij de lengte van de remweg. Dus:
REACTIETIJD + REMWEG = STOPAFSTAND
Daarnaast neemt de remweg in kwadraat toe. Dus 2x de snelheid is 4x de remweg.
In ideale omstandigheden (remvertraging van 8 m/s², goed stroef wegdek) krijg je de volgende stopafstanden.
| Snelheid | Reactietijd | Remweg | Stopafstand |
| 25 km/uur | 7 | 3 | 10 meter |
| 30 km/uur | 8,5 | 4,5 | 13 meter |
| 40 km/uur | 11 | 8 | 19 meter |
| 50 km/uur | 14 | 12 | 26 meter |
| 60 km/uur | 17 | 17 | 34 meter |
| 70 km/uur | 19,5 | 23,5 | 43 meter |
| 80 km/uur | 22 | 31 | 53 meter |
| 90 km/uur | 25 | 39 | 64 meter |
| 100 km/uur | 28 | 48 | 76 meter |
| 120 km/uur | 33,5 | 69,5 | 103 meter |
| 140 km/uur | 39 | 94 | 133 meter |
| 160 km/uur | 44,5 | 123,5 | 168 meter |
| 180 km/uur | 50 | 156 | 206 meter |
| 200 km/uur | 55 | 192 | 248 meter |
De situaties zijn vaak niet zo ideaal als in bovenstaand tabel. In onderstaand tabel de stopafstand voor een personenauto met remmen met de wettelijke minimale remvertraging van 5,2 m/s² op een droge ondergrond die voldoet aan de wettelijke stroefheidseisen.
| Snelheid | Reactietijd | Remweg | Stopafstand |
| 25 km/uur | 7 | 5 | 12 meter |
| 30 km/uur | 8,5 | 7,5 | 16 meter |
| 40 km/uur | 11 | 14 | 25 meter |
| 50 km/uur | 14 | 22 | 36 meter |
| 60 km/uur | 17 | 32 | 49 meter |
| 70 km/uur | 19,5 | 43 | 63 meter |
| 80 km/uur | 22 | 56 | 78 meter |
| 90 km/uur | 25 | 71 | 96 meter |
| 100 km/uur | 28 | 87 | 115 meter |
| 120 km/uur | 33,5 | 126 | 160 meter |
| 140 km/uur | 39 | 172 | 211 meter |
| 160 km/uur | 44,5 | 224 | 269 meter |
| 180 km/uur | 50 | 284 | 334 meter |
| 200 km/uur | 55 | 351 | 406 meter |
Verkeersongevallen (4)
Verkeersongevallen
Ja, als er schade is ontstaan door een gebrek aan de weg kan de wegbeheerder aansprakelijk gesteld worden. Deze zal de schade moeten vergoeden, tenzij de wegbeheerder aannemelijk kan maken dat er geen fouten zijn gemaakt en dat al het mogelijke is gedaan om schade te voorkomen.
De wegbeheerder moet er namelijk voor zorgen dat de weg in goede staat verkeert. Zo niet, dan kan worden gesproken over een gevaarlijk gebrek, waarvoor de wegbeheerder aansprakelijk is. Dit is geregeld in het Burgerlijk Wetboek, artikel 6:174 BW.
Om te bepalen hoeveel verkeersslachtoffers er vallen, wordt gebruik gemaakt van twee soorten cijfers: de geregistreerde en de werkelijke slachtoffercijfers.
- De geregistreerde cijfers
Deze komen tot stand door registratie door de politie. Deze cijfers geven veel informatie, maar niet alle ongevallen worden geregistreerd door de politie. Er is sprake van onderregistratie. De geregistreerde cijfers zijn te vinden op de website van Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV). - De werkelijke cijfers
Deze geven het daadwerkelijke aantal verkeersslachtoffers weer, maar zijn wat minder diepgaand. De werkelijke cijfers komen tot stand door ophoging van de de geregistreerde cijfers volgens een ophoogmethodiek. Omdat er een berekening moet plaatsvinden, zijn de werkelijke cijfers later bekend dan de geregistreerde cijfers. De werkelijke cijfers (Kerncijfers Verkeersveiligheid) staan op de website van de Rijksoverheid.
Ook op deze website vindt u een overzicht van de belangrijkste slachtoffercijfers.
Aanrijdingen waarbij schade optreedt worden afgehandeld door de verzekeringsmaatschappijen van beide partijen. In overleg met elkaar wordt afgesproken wie voor welk deel van de schade aansprakelijk is. Bij die onderhandelingen speelt de schuldvraag een belangrijke rol.
Echter in het overgrote deel van de aanrijdingen is er sprake van gedeelde schuld. Elke partij heeft een fout (of meerdere fouten) gemaakt die mede tot het ongeval heeft geleid. Het is daarbij zeer moeilijk om te zeggen wie voor welk deel schuld heeft aan het ongeval. Daar zijn de verzekeringsdeskundigen voor. Wanneer de beide verzekeringsmaatschappijen er onderling niet uitkomen dan rest er slechts één oplossing: naar de rechter.
De rechter zal dan een uitspraak moeten doen over de aansprakelijkheid van elke partij. Het probleem bij een rechtszaak is de lange tijd die zal kunnen verstrijken voordat er een uitspraak wordt gedaan, en bovendien zullen de proceskosten worden verhaald op de beide partijen. In sommige gevallen zijn die kosten nog hoger dan de gelede materiële schade.
Veilig Verkeer Nederland doet geen uitspraken over de schuldvraag en over de strafmaat.
De aansprakelijkheid van bestuurders van motorrijtuigen ten opzichte van fietsers en voetgangers is geregeld in artikel 185, lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit artikel luidt:
Indien een motorrijtuig (...) betrokken is bij een verkeersongeval (...) is (...) de eigenaar van het motorrijtuig of (...) de houder verplicht om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht (...).
Deze aansprakelijkheid geldt, ingevolge artikel 185, lid 4 WVW1994, niet voor schade toegebracht aan loslopende dieren, aan een ander motorrijtuig in beweging en aan daardoor vervoerde personen en zaken.
Dit artikel regelt de civiele aansprakelijkheid en staat derhalve los van de strafrechtelijke afhandeling van de zaak. Daarbij moet ook duidelijk worden gesteld dat aansprakelijkheid en schuld twee verschillende zaken zijn. Schuld kan weliswaar een rol spelen bij de vaststelling van de aansprakelijkheid, maar dat hoeft niet. Met name bij kinderen speelt de schuldvraag nauwelijks een rol bij het vaststellen van de aansprakelijkheid. Ook voor volwassen fietsers en voetgangers speelt de schuldvraag maar een beperkte rol.
Meer informatie over de aansprakelijkheid van eigenaren van motorrijtuigen
Meer informatie over overmacht en eigen schuld
Aansprakelijkheid kind
In het Burgerlijk Wetboek staat dat je gedragingen van kinderen onder de 14 jaar hen niet kunt aanrekenen.
Verkeersregels (9)
Verkeersregels
Je voert 's nachts verlichting (tussen zonsondergang en zonsopgang) en overdag als het zicht ernstig belemmerd wordt, bijvoorbeeld door mist.
Verlichting op de fiets
- Voor heb je wit of geel licht, achter rood licht.
- De verlichting schijnt recht naar voren en recht naar achteren.
- De verlichting mag niet knipperen.
Sinds november 2008 mag je ook losse lampjes gebruiken, maar het is altijd beter de verlichting vast op de fiets aan te brengen op een logische plek. Lampjes die op de borst of op de rug gedragen worden, kunnen immers sneller - onbedoeld - door kleding, tassen of armen worden afgedekt. Dan is de zichtbaarheid ineens erg slecht. Bovendien moet de plaats waar een fietslicht zit moet voor automobilisten duidelijk zijn. Als een automobilist plots moet beslissen of het bijvoorbeeld veilig is om naar rechts uit te wijken, zal deze in een ‘split-second' zoeken naar een licht op de hoogte waar hij het verwacht. En dat is niet hoog op de borst of rug van een fietser.
Verlichting op de auto
- Alle naar voren gerichte lichten moeten geel of wit zijn.
- Alle naar achter gerichte verlichting moet rood zijn, behalve het achteruitrijlicht. Dit mag geel of wit zijn.
- Decoratieverlichting en verlichting onder uw auto is niet toegestaan.
Dimlicht
Dimlicht is overdag bij slecht zicht toegestaan en 's nachts verplicht. De dimlichten hoeven niet aan als de mistlichten branden. Branden de dimlichten en mistlichten aan de voorkant van de auto tegelijk, dan bestaat de kans dat je wordt verblind door de reflectie van je eigen dimlicht.
Groot licht
's Nachts mag je groot licht gebruiken, tenzij je een tegenligger tegenkomt of op korte afstand een ander voertuig volgt. Onder deze voorwaarden mag groot licht binnen en buiten de bebouwde gebruikt worden.
Dagrijlichten
Sommige auto's hebben speciale dagrijlichten die bedoeld zijn om de auto overdag beter zichtbaar te maken. Je mag deze lichten overdag gebruiken.
Mislicht
Het mistlicht aan de voorkant mag alleen gebruikt worden bij mist, sneeuwval of regen als daardoor het zicht ernstig wordt belemmerd. Het mistachterlicht mag je alleen gebruiken bij mist of sneeuwval waardoor het zicht minder is dan vijftig meter. Bij zware regen mag je het mistachterlicht niet gebruiken. Als de mistlichten branden, hoeven de dimlichten niet aan.
Achterlichten
De achterlichten moeten altijd samen branden met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht. De verlichting die bij de achterkentekenplaat hoort moet altijd samen branden met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht. Als je buiten de bebouwde kom stilstaat op de rijbaan of op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens moet je overdag als het zicht ernstig wordt belemmerd en 's nachts stadslicht en achterlicht voeren.
Derde rood remlicht, breedstralers en verstralers
Een derde rood remlicht is verplicht als je auto in gebruik is genomen na 30 september 2001. Breedstralers en verstralers mogen formeel niet gebruikt worden.
Nee, een voetganger mag zelf weten aan welke zijde van de weg hij loopt als het voetpad of fietspad ontbreekt. Vroeger was het wel verplicht om links te lopen, maar sinds 1991 is deze verplichting geschrapt.
In de verkeersregels wordt een duidelijk verschil gemaakt tussen parkeren en stilstaan.
Parkeren is het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen (artikel 1 RVV). Stilstaan is 'het vrijwillig laten stilstaan van een voertuig'.
In principe mag je overal stilstaan en parkeren waar het niet verboden is.
Stilstaan (en dus ook parkeren) is verboden:
- op een kruispunt of op een overweg;
- op een fietsstrook en op de rijbaan langs een fietsstrook;
- op een oversteekplaats of binnen vijf meter daarvan;
- in een tunnel;
- bij een bushalte (m.u.v. het direct laten in- of uitstappen van personen);
- op de rijbaan langs een busstrook;
- langs een gele doorgetrokken streep.
Parkeren is onder andere verboden:
- binnen vijf meter van een kruispunt;
- voor een inrit of uitrit;
- buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg;
- langs een gele onderbroken streep;
- op een plaats voor laden en lossen.
De verkeersborden uit groep E gaan over parkeren en stilstaan.
Plaatsen van fiets, bromfiets en motorfiets
In artikel 27 van het RVV staat dat fietsen en bromfietsen worden geplaatst op het trottoir, op het voetpad, in de berm, of op andere daarvoor bestemde plaatsen.
Ondanks dat het vaak gedoogd wordt, is parkeren van een motorfiets op het trottoir verboden. In artikel 10 van het RVV wordt aangegeven dat de plaats op de weg van motorfietsen de rijbaan is. Voor het parkeren mag geen gebruik worden gemaakt van het voetpad, trottoir, fietspad en fiets/bromfietspad.
Gehandicaptenparkeerkaart
In artikel 85.1 van het RVV staan uitzonderingen voor de gehandicaptenparkeerkaart. Bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen met daarin een geldige en behoorlijke leesbare gehandicaptenparkeerkaart gelden de volgende artikelen niet:
- artikel 25 (parkeerschijfzone);
Als er niet langer dan 3 uur wordt geparkeerd, gelden ook de volgende artikelen niet:
- artikel 24.1e: verbod om te parkeren langs een onderbroken gele streep
- artikel 46: alleen parkeren in een P-vak in een erf
- artikel 62: i.v.m. bord E1 (parkeerverbord).
Aanhangwagens zijn voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers (artikel 1 RVV).
Rijbewijs B en BE
Met rijbewijs B mag onder bepaalde voorwaarden met een personenauto of bestelauto een aanhangwagen getrokken worden. De voorwaarden zijn:
- het totale toegestane gewicht van de aanhanger (ledig gewicht + maximaal toegestaan laadvermogen) is niet meer 750 kilo, of
- het totale toegestane gewicht van de aanhanger is meer dan 750 kilo, maar het totale toegestane gewicht van de aanhanger is niet meer dan het ledige gewicht van het trekkende motorvoertuig. Het toegestane maximum gewicht van de totale combinatie bedraagt dan 3.500 kilo.
Met rijbewijs BE is het gewicht van de aanhangwagen niet van belang. Er moet wel gelet worden op de technische mogelijkheden van het trekkend motorvoertuig (maximale trekhaaklast). De maximale trekhaaklast staat meestal vermeld op het kentekenbewijs of in het instructieboekje van het voertuig.
Ook het gewicht van de totale combinatie met een rijbewijs BE is niet van belang. Deze mag meer dan 3.500 kilo zijn. Het trekkende voertuig moet wel een maximum massa hebben die lager is dan 3.500 kilo. Is die hoger, dan is een groot rijbewijs (categorie C) nodig.
Meer informatie
Snelheid
Op autowegen en autosnelwegen geldt voor personenauto's en bestelauto's met aanhangwagen een andere maximumsnelheid.
Personenauto's en bestelauto's met een aanhangwagen zwaarder dan 3.500 kilo: 80 km/uur
Personenauto's en bestelauto's met een aanhangwagen niet zwaarder dan 3.500 kilo: 90 km/uur
Lading
Losse lading moet zo vervoerd worden, dat het niet kan schuiven of van/uit de aanhangwagen kan vallen. Dit is de verantwoordelijkheid van de vervoerder. De mogelijkheden kunnen bijvoorbeeld een afdekkleed of afdeknet zijn.
Wet: artikel 5.18.6 Regeling Voertuigen
Vervoer van personen
Het is verboden om personen te vervoeren in of op een aanhanger achter een motorvoertuig of bromfiets.
Op de autosnelweg met drie of meer rijstroken
Als de combinatie van het motorvoertuig en de aanhangwagen langer is dan 7 meter, ben je verplicht alleen de twee meest rechtr rijstroken te gebruiken. Dit geldt overigens niet bij voorsorteren.
Gehandicaptenvoertuig
Een aanhangwagen achter een gehandicaptenvoertuig is niet toegestaan.
Nee, voor een groep fietsers gelden geen andere regels. Een groep fietsers moet zich aan dezelfde verkeersregels houden die ook gelden voor individuele fietsers. Wees er wel van bewust dat fietsers niet met drie of meer naast elkaar mogen rijden.
Bij jonge kinderen is het altijd verstandig enkele volwassenen de groep te laten begeleiden, zeker bij eenmalige ritten buiten de gebruikelijke routes. Wanneer er met een groep kinderen gefietst wordt, is het raadzaam om onderstaande punten in acht te nemen (wettelijk is op dit gebied niets geregeld):
- Voorin de groep een volwassene, goed zichtbaar door middel van een veiligheidshesje;
- Achterin de groep, ook een volwassene met een veiligheidshesjes;
- Midden in de groep of op een plaats waar men eventueel problemen kan verwachten een volwassene;
- Liever meer dan deze drie personen dan minder, omdat een groep uit elkaar kan vallen en dat er genoeg begeleiding overblijft tijdens het oversteken van een weg;
- Maak vooraf goede afspraken over het rijgedrag en de te volgen route.
Meer informatie, zoals de maximumsnelheid en welk rijbewijs je nodig hebt, over onderstaande en andere vervoermiddelen staan in het Voertuigoverzicht van A tot Z.
| Auto |
|
| Bromfiets |
|
| Brommobiel |
|
| Fiets |
|
| Gehandicaptenvoertuig (zoals scootmobiel) |
|
| Motorfiets |
|
| Snorfiets |
|
| Voetganger |
|
Waaraan een voertuig moet voldoen, is omschreven in de permanente eisen (hoofdstuk 5) van de Regeling Voertuigen (onderdeel van de Wegenverkeerswet). Hierin staat informatie over onder andere afmetingen en massa, carrosserie en verlichting en reflectie. Hoofdstuk 5 is verdeeld in 18 afdelingen:
In de auto: Kinderen tot 18 jaar en kleiner dan 1,35 meter moeten vervoerd worden in een goedgekeurd kinderzitje. Een kind mag dan ook op de voorstoel, maar dat heeft niet onze voorkeur. De achterbank is namelijk veiliger. Naast de basisregel is er ook een aantal uitzonderingen. Hierover leest u meer in onze folder Veilig mee in de auto.
Op de fiets: Kinderen beneden de 8 jaar mogen alleen op de fiets vervoerd worden als ze een veilige zitplaats hebben met voldoende steun voor rug, handen en voeten. In de praktijk komt dit vaak neer op een stoeltje.
Op de motorfiets: Omdat een motorfietser in het verkeer een stuk kwetsbaarder is dan een automobilist raadt Veilig Verkeer Nederland het vervoer van kleine kinderen op de motor niet aan, maar de wet staat het wel toe. Er bestaat geen wettelijke minimumleeftijd om iemand achterop de motor te vervoeren. Zorg altijd voor een goedgekeurde en passende helm. Ook in een zijspan is het dragen van een helm verplicht.
Op de bromfiets: Kinderen beneden de 8 jaar mogen alleen op de bromfiets vervoerd worden als ze een veilige zitplaats hebben met voldoende steun voor rug, handen en voeten. In de praktijk komt dit vaak neer op een stoeltje. Zorg altijd voor een goedgekeurde en passende helm.
Op de snorfiets: Kinderen beneden de 8 jaar mogen alleen op de snorfiets vervoerd worden als ze een veilige zitplaats hebben met voldoende steun voor rug, handen en voeten. In de praktijk komt dit vaak neer op een stoeltje.
De verkeersregels zijn vastgelegd in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV 1990, onderdeel van de Wegenverkeerswet). In bijlage 1 van het RVV staan de verkeersborden en in bijlage 2 de aanwijzingen.
De Rijksoverheid geeft ook een boekje uit met de verkeersregels: Verkeersborden en Verkeersregels in Nederland. Dit boekje bevat een een vereenvoudigde tekst van het RVV.
In het Voertuigoverzicht van A tot Z van VVN vindt u per vervoerwijze de belangrijkste regels, waaronder de plaats op de weg, de maximumsnelheid en of er een rijbewijs vereist is.
Waarom zijn verkeersregels belangrijk?
Verkeersregels zijn bedoeld om het verkeer zo veilig en vlot mogelijk te laten verlopen. Overtreding van deze regels leidt tot een grotere kans op ongevallen of tot een ernstiger afloop ervan.
Hoe groter de kans wordt geschat om gepakt te worden bij een overtreding in het verkeer, hoe groter de preventieve werking. De politie handhaaft de verkeersregels. Het Landelijk Parket Team Verkeer geeft adviezen over wet- en regelgeving op verkeersgebied aan onder meer het OM, justitie, politie en weggebruikers.


