FAQ-Veelgestelde vragen - Verkeersongevallen
Verkeersongevallen
Ja, als er schade is ontstaan door een gebrek aan de weg kan de wegbeheerder aansprakelijk gesteld worden. Deze zal de schade moeten vergoeden, tenzij de wegbeheerder aannemelijk kan maken dat er geen fouten zijn gemaakt en dat al het mogelijke is gedaan om schade te voorkomen.
De wegbeheerder moet er namelijk voor zorgen dat de weg in goede staat verkeert. Zo niet, dan kan worden gesproken over een gevaarlijk gebrek, waarvoor de wegbeheerder aansprakelijk is. Dit is geregeld in het Burgerlijk Wetboek, artikel 6:174 BW.
Om te bepalen hoeveel verkeersslachtoffers er vallen, wordt gebruik gemaakt van twee soorten cijfers: de geregistreerde en de werkelijke slachtoffercijfers.
- De geregistreerde cijfers
Deze komen tot stand door registratie door de politie. Deze cijfers geven veel informatie, maar niet alle ongevallen worden geregistreerd door de politie. Er is sprake van onderregistratie. De geregistreerde cijfers zijn te vinden op de website van Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV). - De werkelijke cijfers
Deze geven het daadwerkelijke aantal verkeersslachtoffers weer, maar zijn wat minder diepgaand. De werkelijke cijfers komen tot stand door ophoging van de de geregistreerde cijfers volgens een ophoogmethodiek. Omdat er een berekening moet plaatsvinden, zijn de werkelijke cijfers later bekend dan de geregistreerde cijfers. De werkelijke cijfers (Kerncijfers Verkeersveiligheid) staan op de website van de Rijksoverheid.
Ook op deze website vindt u een overzicht van de belangrijkste slachtoffercijfers.
Aanrijdingen waarbij schade optreedt worden afgehandeld door de verzekeringsmaatschappijen van beide partijen. In overleg met elkaar wordt afgesproken wie voor welk deel van de schade aansprakelijk is. Bij die onderhandelingen speelt de schuldvraag een belangrijke rol.
Echter in het overgrote deel van de aanrijdingen is er sprake van gedeelde schuld. Elke partij heeft een fout (of meerdere fouten) gemaakt die mede tot het ongeval heeft geleid. Het is daarbij zeer moeilijk om te zeggen wie voor welk deel schuld heeft aan het ongeval. Daar zijn de verzekeringsdeskundigen voor. Wanneer de beide verzekeringsmaatschappijen er onderling niet uitkomen dan rest er slechts één oplossing: naar de rechter.
De rechter zal dan een uitspraak moeten doen over de aansprakelijkheid van elke partij. Het probleem bij een rechtszaak is de lange tijd die zal kunnen verstrijken voordat er een uitspraak wordt gedaan, en bovendien zullen de proceskosten worden verhaald op de beide partijen. In sommige gevallen zijn die kosten nog hoger dan de gelede materiële schade.
Veilig Verkeer Nederland doet geen uitspraken over de schuldvraag en over de strafmaat.
De aansprakelijkheid van bestuurders van motorrijtuigen ten opzichte van fietsers en voetgangers is geregeld in artikel 185, lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit artikel luidt:
Indien een motorrijtuig (...) betrokken is bij een verkeersongeval (...) is (...) de eigenaar van het motorrijtuig of (...) de houder verplicht om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht (...).
Deze aansprakelijkheid geldt, ingevolge artikel 185, lid 4 WVW1994, niet voor schade toegebracht aan loslopende dieren, aan een ander motorrijtuig in beweging en aan daardoor vervoerde personen en zaken.
Dit artikel regelt de civiele aansprakelijkheid en staat derhalve los van de strafrechtelijke afhandeling van de zaak. Daarbij moet ook duidelijk worden gesteld dat aansprakelijkheid en schuld twee verschillende zaken zijn. Schuld kan weliswaar een rol spelen bij de vaststelling van de aansprakelijkheid, maar dat hoeft niet. Met name bij kinderen speelt de schuldvraag nauwelijks een rol bij het vaststellen van de aansprakelijkheid. Ook voor volwassen fietsers en voetgangers speelt de schuldvraag maar een beperkte rol.
Meer informatie over de aansprakelijkheid van eigenaren van motorrijtuigen
Meer informatie over overmacht en eigen schuld
Aansprakelijkheid kind
In het Burgerlijk Wetboek staat dat je gedragingen van kinderen onder de 14 jaar hen niet kunt aanrekenen.


