Wanneer moet je verlichting voeren?

Fietser en automobilist in de mistJe voert 's nachts verlichting (tussen zonsondergang en zonsopgang) en overdag als het zicht ernstig belemmerd wordt, bijvoorbeeld door mist.


Verlichting op de fiets

  • Voor heb je wit of geel licht, achter rood licht.
  • De verlichting schijnt recht naar voren en recht naar achteren.
  • De verlichting mag niet knipperen.

Sinds november 2008 mag je ook losse lampjes gebruiken, maar het is altijd beter de verlichting vast op de fiets aan te brengen op een logische plek. Lampjes die op de borst of op de rug gedragen worden, kunnen immers sneller - onbedoeld - door kleding, tassen of armen worden afgedekt. Dan is de zichtbaarheid ineens erg slecht. Bovendien moet de plaats waar een fietslicht zit moet voor automobilisten duidelijk zijn. Als een automobilist plots moet beslissen of het bijvoorbeeld veilig is om naar rechts uit te wijken, zal deze in een ‘split-second' zoeken naar een licht op de hoogte waar hij het verwacht. En dat is niet hoog op de borst of rug van een fietser.

Verlichting op de auto

  • Alle naar voren gerichte lichten moeten geel of wit zijn.
  • Alle naar achter gerichte verlichting moet rood zijn, behalve het achteruitrijlicht. Dit mag geel of wit zijn.
  • Decoratieverlichting en verlichting onder uw auto is niet toegestaan.

Dimlicht
Dimlicht is overdag bij slecht zicht toegestaan en 's nachts verplicht. De dimlichten hoeven niet aan als de mistlichten branden. Branden de dimlichten en mistlichten aan de voorkant van de auto tegelijk, dan bestaat de kans dat je wordt verblind door de reflectie van je eigen dimlicht.

Groot licht 
's Nachts mag je groot licht gebruiken, tenzij je een tegenligger tegenkomt of op korte afstand een ander voertuig volgt. Onder deze voorwaarden mag groot licht binnen en buiten de bebouwde gebruikt worden.

Dagrijlichten
Sommige auto's hebben speciale dagrijlichten die bedoeld zijn om de auto overdag beter zichtbaar te maken. Je mag deze lichten overdag gebruiken.

Mislicht
Het mistlicht aan de voorkant mag alleen gebruikt worden bij mist, sneeuwval of regen als daardoor het zicht ernstig wordt belemmerd. Het mistachterlicht mag je alleen gebruiken bij mist of sneeuwval waardoor het zicht minder is dan vijftig meter. Bij zware regen mag je het mistachterlicht niet gebruiken. Als de mistlichten branden, hoeven de dimlichten niet aan.

Achterlichten
De achterlichten moeten altijd samen branden met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht. De verlichting die bij de achterkentekenplaat hoort moet altijd samen branden met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht. Als je buiten de bebouwde kom stilstaat op de rijbaan of op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens moet je overdag als het zicht ernstig wordt belemmerd en 's nachts stadslicht en achterlicht voeren.

Derde rood remlicht, breedstralers en verstralers
Een derde rood remlicht is verplicht als je auto in gebruik is genomen na 30 september 2001. Breedstralers en verstralers mogen formeel niet gebruikt worden.